Lager, hoger?

Marianne Zwagerman. Foto: Wikipedia

Ik stap na een middag door de stad haasten in mijn auto. De tassen met cadeaus heb ik op de achterbank gezet. Het gaat een mooie kerst worden. Of toch niet? Als ik op de startknop van mijn auto druk, gebeurt er namelijk niks. Dooie boel. Ik vloek en grom. Zelf iets doen heeft weinig zin, want onder de motorkap kijken staat voor mij gelijk aan het doornemen van een Russisch woordenboek: ik zal niet begrijpen wat ik zie. Ik bel daarom het gratis nummer dat op de binnenkant van mijn zonneklep staat, maar daar wordt niet opgepakt. Ten einde raad bel ik een garagist in de buurt. “Middag”, zegt een stem. “Hoe kan ik u helpen?” Ik leg de man de situatie uit. Hij belooft me een monteur te sturen, die er tien minuten later ook staat. “Hij doet gewoon niks meer”, zeg ik. “En als ik ergens geen verstand van heb, dan is het van auto’s.” “Dan is het goed dat ik besta”, zegt de man gevat. Hij vraagt me de motorkap te openen, steekt zijn hoofd eronder, rommelt wat, haalt wat dingen uit zijn gereedschapskist, rommelt nog wat en steekt dan zijn hoofd om de hoek. “Starten maar!” Ik druk op de knop en de motor slaat onmiddellijk aan. “Zo moet dat”, klinkt hij tevreden. Ik ben het ook, zelfs meer dan dat. De monteur drukt de motorkap dicht en geeft me een korte uitleg van wat er mis was. Ik luister braaf maar kan er geen chocola van maken. Na een krabbel op een formulier te hebben gezet, mag ik gaan. Al bij al heeft het oponthoud minder dan een half uur geduurd.

Onderweg naar huis moet ik denken aan een filmpje dat ik eerder dit jaar op YouTube zag en dat indruk op mij maakte. Schrijfster Marianne Zwagerman gaf daarin tijdens een congres een uitbrander aan een advocaat in het publiek die net de termen lager en hoger opgeleid had gebruikt. Ik hoor het Zwagerman nog zeggen. “Ho, stop. Laten we met elkaar afspreken dat we dat vandaag niet meer doen; geen lager en hoger meer.” Ze komt met de anekdote dat ze de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Sander Dekker, gedreigd zou hebben zijn kop eraf te hakken als hij de termen lager en hoger in de context van onderwijs nog eens zou benutten. “Weet je wat voor impact het op een kind van twaalf heeft als die te horen krijgt dat hij naar een opleiding voor ‘lager’ beroepsonderwijs mag?”, vraagt ze aan haar gehoor. Ze beschrijft dat zo’n kind talenten bezit, waarmee hij of zij dingen kan die “jij” – de boosdoener in de zaal – nooit zult kunnen. Dan zegt ze: “Als ik straks met mijn Range Rover weg wil rijden en die doet het niet, dan hoef ik jou niet te bellen. Dan heb ik helemaal niks aan iemand die goed is met zijn hoofd. Dan heb ik iemand nodig die iets met zijn handjes kan.” Ik kreeg haast medelijden met de advocaat maar was het vooral eens met Zwagerman.

Als ik bijna thuis ben, is de gedachtentrein in mijn hoofd tot stilstand gekomen. Ik heb besloten dat ik, in tegenstelling tot in de meeste andere jaren, dit jaar wél een goed voornemen ga hebben: stoppen met het gebruik van de termen lager en hoger opgeleid. Ik ga voortaan voor praktisch en theoretisch.

Advertenties

David Windvaantje

Foto: Studio Bronts

Aan het einde van mijn eerste werkweek trek ik het centrum van Sittard in. Voor sinterklaas heb ik nog een cadeau te scoren voor het thuisfront. Geld heb ik wel, maar niet veel, en inspiratie voor een origineel geschenk nog minder. Voor de etalages van galerie Dabekaussen sta ik stil. Ik zie wat van Sjer Jacobs staan, waar ik thuis ook iets van heb. Kunst, denk ik, veel te duur nu. De eerste salarisstrook moet nog komen.

In de linkeretalage ligt een briefje. Kunst bijt niet, kom gerust binnen, staat erop. Het trekt me over de drempel.

Binnen staat een man. De eigenaar, gok ik. Hij laat net de enige aanwezige klant uit. “U zoekt iets speciaals?”, vraagt hij. “Niet echt”, zeg ik. “Het briefje in de etalage haalde me over om eens te komen kijken.” Hij glimlacht.

Ik vertel dat het beeld van Sjer Jacobs me aanspreekt; een buste van een kale man die op zijn hoofd een lijvig boek vasthoudt. De man vraagt me waarom. Ik leg hem uit dat ik in mijn vrije tijd boeken maak en dat het beeld mooi aansluit op mij. Ik wijs op mijn hoofd en hij glimlacht weer.

“Ik heb ook een boek gemaakt”, zegt hij. Vanonder een stapel papier haalt hij een magazine-ogend boekje tevoorschijn. “Het is meer een schrift. Gemaakt ter nagedachtenis aan mijn zoon. David Windvaantje heette hij.” Mijn verbazing schijnt hem te verbazen. “Kent u David Windvaantje niet?” Ik schud mijn hoofd. “Een dag uit het leven van David Windvaantje? Het is een boek van Maarten Biesheuvel.” Het helpt niet, ik ken het nog steeds niet. De man vertelt dat zijn zoon vernoemd werd naar de hoofdfiguur uit het boek, nadat zowel hij als zijn vrouw het boek van Biesheuvel had gelezen. “Vanaf de dag dat mijn zoon dat wist, heeft hij zich overal gepresenteerd als David Windvaantje. Je  kunt het op internet nog steeds vinden.” Voorzichtig vraag ik naar het moment van tien jaar geleden. “Hij was ziek.” De emotie komt boven, zijn ogen glanzen.

De telefoon gaat. Hij pakt op en luistert. “Ik sta op het punt om de zaak te sluiten. Ik kom eraan”, zegt hij. Hij legt neer. “Dat was mijn vrouw. We vieren een feestje vanavond. Ze wordt 65, ik word dat binnenkort. Er komen vrienden. Ze hebben bijna allemaal David gekend.”

Ik voel me lichtjes ongemakkelijk. Hij doorbreekt het gevoel door te vragen wat ik mooi vind in de zaak. “Ik zag net een schilderij met vissen”, antwoord ik. “Daar heb ik ook iets mee.” Ik leg hem uit dat ik boeken maak onder de naam Kabeljauws en dat ik zelf Spierings heet. “Het is van het spreekwoord gooi een spiering uit om een kabeljauw te vangen, en omdat ik Spierings heet, heb ik achter de kabeljauw ook een s geplakt.” Hij knikt begrijpend. “Mijn vrouw heet ook zo. Spiering, maar dan zonder die s. We lachen allebei.

“Vindt u het mooi, dat schilderij?”, keert hij terug. Zonder mijn antwoord af te wachten, zegt hij: “U mag het hebben.” Ik slik en antwoord dat ik dat niet kan aannemen. “Mag best hoor, en als u ervoor wil betalen, mag dat ook.” Hij kijkt me afwachtend aan. “25 euro, is dat te veel? Het zijn inkoop geen dure schilderijen, hoor. Het zijn Chinese kunstenaars die het maken. En masse. En toch is elk schilderij anders.“

Ik wijs zijn aanbod nog eens beleefd af. Hij pakt het schilderij op en geeft het me. “Dan kom ik terug om iets te kopen als er meer geld is”, beloof ik als tegenprestatie. “Dat hoeft niet”, zegt hij, “een luisterend oor is best 25 euro waard.”

Ik accepteer het cadeau. Ik vecht tegen tranen. Hij houdt de deur voor me open als ik met het schilderij in mijn twee handen geklemd de zaak verlaat. Ik wens hem met dichtgeschroefde strot een mooie avond toe en een mooi feest. “Dank u wel”, zegt hij. “Ik denk niet dat ik het droog houd tot de auto’, antwoord ik. Hij kijkt naar de avondlucht, maar beseft volgens mij wel dat ik met droog niet het weer bedoel.

De tranen lopen over mijn wangen als ik terug naar de parkeerplaats wandel. De emoties zorgen ervoor dat ik eerst nog een halve kilometer in de verkeerde richting ga. Onderweg beantwoord ik nieuwsgierige blikken van voorbijgangers met het tonen van het schilderij. Mensen lachen, steken hun duim omhoog. Ook ik lach weer; het was een pre-sinterklaasavond om nooit te vergeten.

Reorganisatie

Reorganisatie. Ik had er weinig mee, Ik kende het woord van de journaals, uit de kranten. ‘De reorganisatie bij Philips kost 1600 banen, bij ING 2400.’ Ik dacht niet meer dan dat het onprettig was voor degenen die hun baan zouden verliezen. Reorganisatie; je bent een van die 1600 of 2400. Een baas zegt tegen je dat je vanaf de volgende eerste dag van de maand niet meer hoeft te komen. Je baalt, je jankt, je haalt je schouders op, draagt taken over aan hen die achterblijven, en op de eerste dag van die nieuwe maand blijf je thuis. Onprettig voor je, werkloosheid is je deel, Filosoof Bas Haring zou durven zeggen dat je ook een stukje vrijheid terug hebt gekregen en dat je je baas daar dankbaar voor zou moeten zijn. Zeker als het niet de baan van je leven was. Oei!

Nu ik er zelf middenin zit, besef ik dat het ook voor degenen die mogen blijven geen woord zonder gevolgen is. Reorganisatie; je krijgt meer taken, andere taken, je blijft nog even samenwerken met hen die er straks niet meer bij zullen zijn. Niet dat je dat laatste niet wilt, maar een afstervende relatie doet pijn. 15 jaar samengewerkt met hem en haar en dadelijk is het voorbij. Ook voor de blijver is het dus onprettig. 

De reorganisatie op de werkvloer heeft me gebracht tot het punt waarop ik een reorganisatie van mezelf ben gaan eisen. Een must in mijn ogen, want wie zich niet aanpast, overleeft niet. Dat zei Darwin, en de man heeft gelijk.

Om weer rustig te kunnen slapen, ’s avonds aan een wijntje te kunnen nippen zonder te denken aan mijn werk en zonder het weekend te gebruiken om voortdurend mijn mail te checken, heb ik heil gezocht in de mantra. De herhaling van een woord of zin brengt kracht, verlicht. Ik geloof het nu.

Ik zeg nu tegen mezelf dingen als: ‘het is maar werk’ en ‘het glas is half vol’. Die laatste omdat ik in het verleden vaker het half lege glas zag. Ik ben tot rust gekomen, tot helderheid. En mocht het zo zijn dat ik uiteindelijk toch mijn baan kwijtraak, omdat ik niet geschikt voor mijn nieuwe functie, dan kan ik denken en geloven dat mijn baas een stukje van mijn vrijheid aan mij geretourneerd heeft. 

 

Alles in de blender

Niks in de blender...

Niks in de blender…

Ik ben sinds vrijdag nog meer een blender geworden. Alles mocht al in de mixer: sojamelk met kersen op lichtgezoete sap, zonder pit; yoghurt – bij voorkeur magere – met een banaan en een lepel eiwitpoeder – baasje moet wel groeien. Maar sinds enkele dagen zitten ook mijn gedachten erin. Niet bewust overigens. Dat ging zo.

Sinds afgelopen vrijdag, toen ik met vriend en collega Henk de sauna van Spaubeek bezocht, zitten mijn gedachten in de mix. Henk gold binnen ons bedrijf een beetje als de verstrooide professor en er werd daarom wel eens om hem gelachen. Maar sinds enkele jaren mag die verstrooidheid gezien worden als ‘bewust in gedachten zijn’. De man is de nooit als zodanig benoemde goeroe van A&C Media. Hij kan dat denken zo goed en het verwoorden van die gedachten zo overtuigend dat hij erin slaagde om in één enkele sessie mijn al jaren gekoesterde gedachtenpatroon aan gruzelementen te redeneren. Na dertig minuten besefte ik dat hij veel gelijk had. Wat ik dacht was niet waar, iedereen had zijn waarheid, de wereld was niet zwart-wit, en je ergeren aan iemand die je slechts een moment zou kennen – lees de asociale automobilist – was vooral, zo niet alleen, lastig voor jezelf. Heel praktisch! Stop met ergeren, wees tolerant! Er waren nog wat van die eye-openers, maar die beschouw ik als dermate privé dat ik ze hier niet wil delen.

Bij thuiskomst was mijn hoofd er nog vol van. Ik deelde mijn nieuwe kennis met mijn vrouw. Zij luisterde aandachtig en zij sloot zich aan bij Henks waarheden. Na een onrustige nacht – weinig slaap, gedachten in de mix – kreeg ik bij het bereiden van het ontbijt een nieuw teken dat mijn waarheid ‘old school’ was: mijn blender bleek kapot. De messen waren uit het lager gelopen en de boel lekte. Het bleek een mooi moment voor een nieuw apparaat en om mijn nieuwe gedachten over mijn leven en dat van anderen helemaal te implementeren.

De openingszin…

Weg met die snor!

De Belgische slampoëet Jee Kast (Joost Stockx) – komende vrijdag in de finale van Belgium’s Got Talent – heeft een boekje gemaakt met foute openingszinnen. Knap is dat. Ik zou nog geen boekje kunnen volschrijven met goede openingszinnen.

Ik bedenk me nu wat mijn openingszin op deze blog zou moeten worden. WordPress stelde voor ‘Hello world’ te gebruiken, maar dat doet WordPress bij ieder nieuw lid van de community, dus pas ik daarvoor.

Nadenkend over iets fouts, denk ik nu aan oud-collega Raymond die als vertegenwoordiger bij een klant nogal blunderde, omdat hij niet wist wat de uitdrukking ‘ik druk mijn snor’ betekende.

Raymond bezocht een klant – moeder en twee dochters – die in het Noord-Hollandse een lingeriezaak hebben. Knappe moeder, knappe dochter en een dochter met enige overbeharing op de bovenlip krijgen van Raymond een gratis zakelijk artikel aangeboden. Als het verhaal een week later in de krant komt, staan alleen knappe moeder en knappe dochter op de foto bij het verhaal. Raymond bezoekt weer een week later de winkel en treft daar alleen de dochter met overbeharing op de bovenlip aan. Als Raymond de dochter vraagt waarom zij niet op de foto stond, zegt zij: Nee, mij niet gezien. Bij dat soort dingen druk ik mijn snor’, waarop Raymond antwoordt: ‘Ach, dat valt toch wel mee…’

Pratend als Brugman heeft Raymond zich letterlijk en figuurlijk uit de zaak weten te kletsen, de hoon van zijn collega’s incasserend, toen hij het verhaal later aan hen vertelde.

Raymond, daarom, mede voor jou, deze foute openingszin om een vrouw aan de haak te slaan: ‘Je lijkt een beetje op mijn broer, maar die heeft geen snor’. 🙂